Kurundu is Singalees voor kaneel. Geen willekeurige naam — het is de specerij die Sri Lanka eeuwenlang op de wereldkaart zette.
Onze naam is geen marketingbedenksel. Kurundu (කුරුඳු) is het Singalese woord voor kaneel — en kaneel is de reden dat de wereld ooit naar Sri Lanka voer.
De echte kaneel
Wat de meeste mensen in Nederland als kaneel kennen, is meestal cassia: donker, hard en scherp. Echte Ceylonkaneel is iets anders. De schors is lichtbruin, breekt als papier en rolt zichzelf op tot fijne, gelaagde stokjes. De smaak is zachter, bloemiger, bijna citrusachtig — een specerij die vleiend werkt in plaats van overheersend.
Dat verschil is precies waarom Ceylonkaneel in hartige gerechten kan wat cassia niet kan: hij tilt een curry op zonder hem naar dessert te trekken.
Kaneel in hartige gerechten
In de Sri Lankaanse keuken zit kaneel niet in de appeltaart maar in de curry. Een stukje schors gaat mee in de olie aan het begin van het gerecht, samen met kerrieblad en pandan. U proeft hem niet als "kaneel" — u proeft hem als diepte, als de warme laag onder de pit.
Waarom die naam past
Kaneel staat voor precies wat wij willen doen: geduld, laagjes en herkomst. De schors wordt met de hand geoogst, gedroogd en gerold. Onze curry’s bouwen we op dezelfde manier op — langzaam, laag voor laag, zonder haast.
Als u bij ons binnenloopt in Nieuwegein, eet u dus in een restaurant dat vernoemd is naar de specerij die het eiland zijn naam gaf.




